zeggen Dutch - Polish

1.

  • Dutchzeggen, uiten, uitbrengen


2.

  • Dutchvertellen, zeggen

  • Polishpowiedzieć


  • Dutchvertellen, zeggen


3.

  • Dutchbetekenen, willen zeggen, bedoelen

  • Polishznaczyć


  • Dutchbedoelen, willen zeggen


4.

  • Dutchbetekenen, willen zeggen, bedoelen

  • Polishznaczyć


  • Dutchbedoelen, willen zeggen


5.


6.


7.


8.

  • Dutchnamelijk, dat wil zeggen, met andere woorden

  • Polishto jest


9.

  • Dutchbetekenen, willen zeggen, bedoelen

  • Polishznaczyć


  • Dutchbedoelen, willen zeggen


10.

  • Dutchnl., t.t.z. qualifiernl


11.

  • Dutchvan horen zeggen, gerucht

  • Polishpogłoska





English translator: Dutch Polish zeggen  Eesti sõnaraamat   Español Traductor   Svenska Översättare