aansporen Dutch - German

1.


2.

  • Dutchaansporen, aanporren, manen

  • Germanermahnen, anhalten, bedrängen, verlangen, anspornen, drängen


3.

  • Dutchaansporen, aanmoedigen, bewegen

  • Germananspornen


4.

  • Dutchaansporen, aanmoedigen, aanzetten


5.

  • Dutchstimuleren, aansporen, prikkelen

  • Germanstimulieren


6.

  • Dutchdrijven, aanzetten, aansporen, bewegen


7.

  • Dutchproveceren, aanzetten, aansporen


8.

  • Dutchaansporen, aanmoedigen, ophitsen, aanzetten

  • Germanermutigen, aufhetzen, anstiften





English translator: Dutch German aansporen  Eesti sõnaraamat   Español Traductor   Svenska Översättare