nor Dutch
4 translations
| Translation | Context | Audio |
|---|---|---|
|
rare
🇳🇱 De rivier heeft een diepe nor
🇳🇱 De rivier heeft een diepe nor
🇳🇱 De vis zwom naar de nor van de rots
🇳🇱 De vis zwom naar de nor van de rots
|
literary | |
|
common
🇳🇱 Hij reisde noord
🇳🇱 Hij reisde noord
🇳🇱 De wind kwam uit het noorden
🇳🇱 De wind kwam uit het noorden
|
standard language | |
|
common
🇳🇱 Ze keek naar de noor
🇳🇱 Ze keek naar de noor
🇳🇱 De vis zwom richting de noor
🇳🇱 De vis zwom richting de noor
|
informal | |
|
common
🇳🇱 Hij woont in een noor wijk
🇳🇱 Hij woont in een noor wijk
🇳🇱 De weg naar de noor is mooi
🇳🇱 De weg naar de noor is mooi
|
colloquial |