indicar Spanish - Dutch

1.


2.


3.

  • Dutchmarkeren, aanduiden, optekenen

  • Spanishmarcar


4.


5.

  • Dutchbetekenen, willen zeggen, bedoelen

  • Spanishsignificar, querer decir


6.

  • Dutchwijzen

  • Spanishindicar, apuntar


7.

  • Dutchwijzen

  • Spanishindicar, apuntar


8.

  • Dutchwijzen

  • Spanishindicar, apuntar


9.

  • Dutchuiteenzetten, aanduiden, aangeven, erop wijzen


10.

  • Dutchbetekenen, willen zeggen, bedoelen

  • Spanishsignificar, querer decir


11.

  • Dutchaanwijzen, aanduiden, wijzen op

  • Spanishindicar


  • Dutchwijzen op, aangeven

  • Spanishindicar


12.

  • Dutchaangeven

  • Spanishseñalar, denotar, marcar


  • Dutchbetekenen

  • Spanishsignificar, denotar


13.

  • Dutchbetekenen, willen zeggen, bedoelen

  • Spanishsignificar, querer decir


14.

  • Dutchuiteenzetten, aanduiden, aangeven, erop wijzen


15.

  • Dutchmarkeren, aanduiden, optekenen

  • Spanishmarcar





English translator: Spanish Dutch indicar  Eesti sõnaraamat   Español Traductor   Svenska Översättare